Buizen, Bommen, Bonzen en Botters

Buizen, bommen, bonzen en botters

Meer info

In deze publicatie worden de belangrijkste zeilschepen in beeld gebracht waarmee door de Nederlanders werd gevist. Voor elk visgebied werden scheepstypen ontwikkeld. Vaak vaartuigen, die speciaal gebouwd waren voor het beoogde viswater. Soms ook aangepaste varianten van typen die voor de vrachtvaart werden gebruikt. We denken hierbij aan het fluitschip dat onder andere voor de V.O.C. naar het Verre Oosten voer, maar ook als walvisvaarder in de wateren rond Groenland was te zien. Er waren echter ook schepen die oorspronkelijk voor de visserij waren bestemd, maar eveneens als vrachtvaarder werden gebruikt. Hoekers bijvoorbeeld. Deze schepen visten in de IJslandse wateren op kabeljauw. Als vrachtschip kon men ze tegenkomen op de rede van Batavia. Tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) gebruikte de V.O.C. een logger voor het vervoer van post, tussen de Bretonse plaats Lorient en Kaapstad.

De visserij in de Lage Landen begint tijdens de Prehistorie, toen boomstamkano's gebruikt werden om zich over het water te verplaatsen en om te vissen. Het oudst bekende exemplaar van zo'n vaartuig is de in 1955 opgegraven kano van Pesse uit 6500 v. C.. Boomstamkano's werden ook aangetroffen in Hardinxveld, Bergschenhoek, Nigtevecht (Utrecht), Nijeveen (Drenthe) en Terbregge (Rotterdam). Het gebruik ervan mag dus als wijdverspreid worden gekenschetst. Onlangs werd nog een 3000 jaar oude en tien meter lange kano in Vlaardingen aangetroffen, op het voormalige bedrijfsterrein De Vergulde Hand.

De bouw van grotere, zeilende vissersvaartuigen begon in de Nederlanden pas in de late Middeleeuwen. Tijdens de 13de eeuw kwamen op de rivieren en in de riviermondingen van Zuid-Holland, Zeeland en Vlaanderen schouwen voor. In de 14de eeuw werden bij de zeevisserij hoogstwaarschijnlijk al pinken en in ieder geval ' hoekschepen ' gebruikt. In de vroege 15de eeuw volgt het wellicht bekendste vissersschip van Nederlandse bodem: de haringbuis . Dit laatstgenoemde type heeft meer dan 400 jaar dienst gedaan bij de Nederlandse visserij. Aan het einde van het eerste decennium van de 17de eeuw visten de Hollanders met 3000 buizen op de Noordzee. Deze vloot was bemand met 50.000 koppen!

De schouw , de pink , de hoeker en de haringbuis vormden in de Lage Landen de opmaat tot de ontwikkeling van een reeks specifieke vissersvaartuigen. Zo waren er schepen die naar hun bouwplaats of thuishaven werden genoemd, zoals de Egmonder pink en de Blankenbergse schuit. Maar ook schepen die juist naar hun vangst waren vernoemd, zoals het garnalenbootje en de zalmschouw . Het waren vrijwel allemaal in de Lage Landen ontworpen en ontwikkelde typen, met als uitzonderingen de sloep of chaloupe en de logger. Deze werden in de 19de eeuw naar Frans voorbeeld aan onze vissersvloot toegevoegd.

Het einde van de zeilende visserij diende zich aan in de 20ste eeuw. Stoom- en vervolgens motorvaart namen letterlijk de wind uit de zeilen. In 1930 voer de laatste zeilende logger uit voor de haringvangst. Twee jaar later werd de Zuiderzee gedicht en ontstond het IJsselmeer. Een water waarin nog wel gevist werd, maar door de oprukkende inpoldering op steeds kleinere schaal. In 1947 werd te Monnickendam nog een Marker rondbouw te water gelaten voor de visserij op het IJsselmeer. Dat was het laatste in Nederland gebouwde zeilende vissersvaartuig.

Langs rivieren, meren en plassen verslechterde het milieu. De behoefte aan de karakteristieke lokale vissersscheepjes verdween. Veel typen raakten in de vergetelheid. Sommige vissersvaartuigen werden omgebouwd tot plezierjacht. Maar met de toegenomen interesse voor de oude zeilvaart is ook het historisch erfgoed van de visserij weer in beeld.

De auteurs hebben gebruik gemaakt van informatie uit Nederlandse en Belgische maritieme musea, streekmusea, verschillende bibliotheken en stads- en streekarchieven. Nauwkeurig zijn door hen de daar aanwezige scheepsmodellen bestudeerd. Een aantal volledig bewaarde en gerestaureerde historische schepen, en goede replica's daarvan, hebben zij gelukkig nog kunnen vinden in het Zuiderzeemuseum en in de diverse museumhavens. Tot de oudste bronnen die door hen zijn geraadpleegd, behoren de werken van Nicolaes Witsen.

Nog geen opmerkingen